Hoe kan God dat gebieden?

Artikel in Woord & Dienst 65-8, augustus 2016. Dit artikel kunt u ook downloaden in pdf-formaat: klik hierEen pdf in hogere resolutie kunt u opvragen via woordendienst@boekencentrum.nl.

 

Gewelddadige bijbelverhalen kunnen confronterend zijn. Je zou zomaar kunnen denken dat er nier veel verschil is tussen dat geweld en de agressie van radicale gelovigen vandaag de dag. Hoe kunnen we omgaan met die heftige verhalen?

Sam Janse

 

IS beïnvloedt de samenleving en de politiek, dat is niet te ontkennen. Maar dat IS ook de theologie beïnvloedt, is minder duidelijk, maar even waar. Ik bedoel hier niet de islamitische theologie – die waarschijnlijk ook wel – maar de christelijke. Samen met andere extremistische organisaties confronteert IS ons met het geweld in onze eigen Heilige Schrift en in onze eigen traditie. Dat zal ook voor Joden gelden, maar die moeten voor zichzelf spreken. Wie ‘s zaterdagavonds op het journaal een zelfmoordaanslag heeft gezien, gepleegd in naam van Allah, en de volgende morgen de dominee over
Simson hoort preken, over zijn zelfmoordactie tegen de Filistijnen, wil toch dat de prediker duidelijk zal maken of er verschil is tussen deze twee acties en welk verschil dat dan is.

Ik verlies mijn geloof
Ik moest een paar maanden geleden ergens in het land voor een gemeente van de PKN een lezing houden over geweld in de Bijbel. Een wat oudere dame staat tijdens het nagesprek op om een vraag te stellen. Ze vertelt: ‘In onze gemeente hebben we meegedaan aan het project om in één jaar de Bijbel door te lezen. Ik ook. Maar toen ik een eind op weg was, dacht ik: ik verlies mijn geloof. Wat een geweld! En dan nog wel in Gods naam. Hoe kan God dat van mensen vragen?’
Het heeft me lang bezig gehouden. We weten dat er vragen zijn van buiten de kerk, kritische vragen, vaak ongenuanceerde vragen, vaak helemaal geen vragen, maar uitspraken van mensen die natuurlijk allang weten hoe het zit: ‘religie is de schuld van alle geweld’. Maar er zijn dus ook vragen van mensen binnen de kerk. Dat wist ik ook al, maar dat ze met deze heftigheid gesteld worden, verraste me toch. Mensen, kerkmensen, die hun geloof dreigen te verliezen als ze de Bijbel lezen! Is het nog wel zo’n goed idee om niet-christenen aan een bijbel te helpen?
In elk geval is er een uitlegger bij nodig, net als bij de man uit Ethiopië in Handelingen 8. We hebben als kerk na de oorlog een goed stuk vormings- en toerustingswerk opgebouwd. Maar deze slag hebben we verloren: voorgangers en andere theologen hebben niet duidelijk kunnen maken hoe het zit met het geweld in de Bijbel. Is dat dan ook wel duidelijk te maken? Ja. We moeten duidelijk maken hoe het geweld erin gekomen is en hoe het eruit verdwenen is. En hoe het daarna terechtgekomen is in het christendom en hoe het daar voor een deel weer uit verdwenen is en voor het resterende deel nog verder uit verdwijnen moet. Nu zeg ik het allemaal wat snel en zonder nuances. En toch is dit de kern van wat
ik zeggen wil in dit artikel en in het boek dat ik net afgerond heb. Dus commissies van vorming en toerusting, prioriteit voor deze vragen in de gemeente a.u.b!

Stukslaan als een aarden pot
Ik geef als voorbeeld Psalm 2, een psalm over de koning in Jeruzalem. De Statenvertaling schrijft hier hoofdletters als het over deze koning gaat omdat ze er een verwijzing in ziet naar de koning Jezus Christus: ‘Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd’. Dat is een oude eerbiedwaardige exegetische traditie, maar het gaat toch te snel. De tussenstappen worden niet zichtbaar. Eerst moet iets anders gezegd worden. De psalmdichter heeft gewoon gedacht aan de koning die in Jeruzalem op de troon zat. God wordt sprekende ingevoerd als degene die deze koning zijn zoon noemt en hem alle macht toezegt over de vorsten en volken van de aarde. Er komt ook een behoorlijk portie geweld aan te pas: ‘Jij kunt ze
breken met een ijzeren staf, ze stukslaan als een aarden pot’.
Dat zijn grote woorden en de vraag komt op hoe de dichter zich dat voorstelde. Het zijn woorden en beelden die in de wereld van Israëls buurvolkeren gangbaar waren. Dat de koning als zoon van de godheid wordt gezien, vinden we ook in Egypte. Op het bijgevoegde plaatje (zie pag. 18) uit het oude Egypte zien we rechts de Egyptische God Amon-Re die de farao de macht geeft over zijn vijanden. Met een knots die aan de staf van Psalm 2 doet denken, slaat de Egyptische koning zijn vijanden neer. Het stukslaan van vijanden als aardewerk vinden we letterlijk terug in Assyrische teksten uit de tijd van de
psalmdichter. Het geweld wordt er niet minder om, maar we kunnen uitleggen waarom het zo heftig toegaat in deze tekst.
In de crisis van Israëls bestaan, waarin de Assyrische legers Jeruzalem bedreigen, zegt deze dichter: niet de farao van Egypte en niet de koning van Assyrië heeft van de Allerhoogste de macht gekregen, maar de koning in Jeruzalem. Het is subversieve literatuur die de Assyrische claim wil ontkennen en de naderende legers bestrijdt met woorden en beelden ontleend aan Egypte en Assyrië. Het is verzetsliteratuur waarin de woorden en beelden van de vijand overgenomen worden om diezelfde
vijand te verslaan.
Dat is het eerste wat we moeten uitleggen binnen en buiten de kerk. Veel geweld in de teksten van het Oude Testament hangt samen met de dreigende situatie van Israël in de periode voorafgaande aan en tijdens de ballingschap. De schrijvers van de Hebreeuwse Bijbel lenen grote woorden van de buurvolken om het hoofd te bieden aan de militaire dreiging.

Er zijn nog andere woorden nodig
Maar dit is niet alles. Er moet nog iets gezegd worden. Een tweede punt. We zien dat in een proces van nadenken, van reflectie, het geweld ook weer uit het Oude Testament wordt uitgezuiverd. In de omgang met hun God ervaren de profeten van Israël dat er nog andere woorden nodig zijn om de trekken van de messiaanse koning in Jeruzalem te tekenen en dat deze koning kwalitatief anders is dan de farao van Egypte of de koning van Assyrië. Hier klinken de woorden over de wolf die zich in vrede neerlegt bij het lam als de messiaanse tijd aanbreekt, over de volken die hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en naar Jeruzalem optrekken, niet om de stad te veroveren en te vernietigen, maar om daar de Torah te leren. Het boek Jona wil hetzelfde zeggen: de God van Israël is te groot om een stamgod te zijn. Hij is de God van hemel en aarde, van alle volken, ook van de vijanden van Israël, ook van Nineve, van Assyrië. Deze koning heeft geen knots nodig om zijn doel te bereiken, maar komt aanrijden op een ezel. De wapens worden vernietigd. ‘Hij zal vrede stichten tussen de volken’. Zo lezen we het bij de profeet Zacharia.

Van geweld naar vrede?
Dit plaatje doet niet helemaal recht aan het gecompliceerde netwerk van de oudtestamentische teksten. Het lijkt zo alsof er een eenduidige beweging is van geweld naar vrede, terwijl het gecompliceerder ligt. Het boek Ester is vrij laat en het behelst een behoorlijke portie geweld. En toch is er een ontwikkeling aan te wijzen. Dat zien we duidelijk als we de periode vergroten en het Nieuwe Testament erbij betrekken.
Dat we bij de koning van Psalm 2 aan Jezus mogen denken, hebben de Statenvertalers niet zelf verzonnen. Dat haalden ze uit het Nieuwe Testament. Verschillende keren wordt deze psalm daar aangehaald, ook in de evangeliën, en wel op cruciale momenten van Jezus’ leven. Bij zijn doop en bij de verheerlijking op de berg. Aan het begin en halverwege zijn leven krijgt Jezus de stem te horen die met de woorden van Psalm 2 zegt dat Hij de Zoon van God is. Maar daar is Jezus geen koning die zijn vijanden met een knots verplettert, Hij is de alternatieve koning die zich aan een kruis laat slaan. Psalm 2 wordt dus in de evangeliën wel overgenomen, maar niet ongewijzigd.

Evangelie versus christendom
Christenen zijn niet altijd de weg van Jezus Christus gegaan. In het gesprek met buitenstaanders moeten we duidelijk maken dat het evangelie niet samenvalt met het christendom. Na de bekering van de Romeinse keizer Constantijn (312 nC) rook het christendom de macht. De beweging die tot voor kort gediscrimineerd en vervolgd was, nam nu zelf de rol van onderdrukker op zich. Het is een bekend patroon en christenen waren en zijn daarin niet beter dan anderen. Joden, heidenen en dissidente christenen waren niet veilig bij keizer en bisschop. Dat moeten we allemaal niet verbloemen, maar goed analyseren om het gevaarlijke verbond tussen religie en macht te bestrijden. Vooral bij onszelf.

Hoe kan God dat allemaal gebieden? Ik denk dat dit de verkeerde vraag is en dat de goede vraag luidt: hoe is het mogelijk dat mensen dachten dat God dat gebood? Ik besef dat daarmee in de theologie een wissel omgaat. Ik ben niet van de school van Harry Kuitert en geloof niet dat alle spreken over ‘boven’ van ‘beneden’ komt. Maar het komt wel via beneden. Met andere woorden: wat wij van God zien, zien we altijd met een bepaalde bril op. Of als we liever een auditief beeld hebben: er zit altijd ruis bij wat we van God horen. Dat geldt voor ons, dat geldt ook voor de bijbelschrijvers. God heeft de Bijbel niet geschreven. Dat boek is geschreven door mensen die iets van God hebben ervaren en dat op papier hebben gezet. Op een menselijke en soms op een kleinmenselijke manier. En toch zo dat we via hun geschriften deze God op het spoor kunnen komen.

Sam Janse is nieuwtestamenticus. Najaar 2016 publiceert hij een boek over monotheisme en geweld.