De kracht van humor

Artikel in Woord & Dienst 65-6, juni 2016. Dit artikel kunt u ook downloaden in pdf-formaat: klik hier.

‘Alain lacht het leven uit’, zei een dierbare vriend eens over mij. Het zal twee maanden na mijn echtscheiding zijn geweest – de moeilijkste periode in mijn leven.

 

Alain Verheij

 

Tot hun genoegen constateerden mijn meest directe naasten dat mijn lach niet verstomd was. Integendeel: de humor, vaak in de vorm van zelfspot, maakte veel moeilijke momenten hanteerbaar.

 

Humor helpt

Waarschijnlijk heb ik het van mijn oma. Rond haar zeventigste begon ze grappen over haar naderende levenseinde te maken. ‘Tegen de tijd dat jij kinderen krijgt, is je opoe allang de pijp uit’, kon ze dan zeggen. Ze leeft nog steeds, midden in haar tachtiger jaren, en beweert dat haar sardonische houding typisch Vlaardings is.

Maar het is een veel breder ingezette copingstijl. Ik sprak eens een overspannen dominee die van zijn psycholoog het woord ‘rotkerk’ moest omdraaien, en het hardop zeggen. Liefst met een gek stemmetje: ‘krektor, krektor’. Een vriendin van me heeft veel te lijden gehad onder een soms te afwezige, soms te aanwezige vader. Op sombere dagen bewerkt zij foto’s van de man, zodat hij gekleurde feesthoedjes of een krulsnor draagt.

Lachen is een genadegave. Het stelt ons in staat om slecht hanteerbare situaties lichter te maken en de tegenstrijdigheden in het leven even te verzoenen. Humor bevrijdt ons van een vastlopend perspectief en stelt ons in staat om ook in de zwaarste omstandigheden nog verbinding te maken met medemensen. Hier moet natuurlijk de etymologie van het woord ‘gein’ genoemd worden – het komt van het Hebreeuwse ḥēn, genade.

 

Lachen is een genadegave

 

Als theoloog heb ik er altijd dankbaar gebruik van gemaakt. Niet alleen omdat een snufje humor elke preek leuker maakt om naar te luisteren. Humor heeft ook een diepere werking. Schaduwkanten van het geloof, zoals ongezonde angst voor een straffende God of een overtrokken kerkisme of moralisme, kunnen zich zo heilzaam laten tackelen wanneer we er eens met een knipoog naar kijken.

 

Satire en geldingsdrang

Wil ik misstanden aankaarten, dan bedien ik me graag van een vorm van humor die giftig goed kan werken: satire. Bij de bijbelse profeten zien we het ook weleens: Jesaja beschrijft dronken waggelende priesters die lallend door de straten gaan: ‘tsav latsav kav lakav’. Ik kan nu wel serieus gaan jeremiëren, moet hij gedacht hebben, maar misschien werkt een spottend toneelstukje beter.

Die zeggingskracht wordt bevestigd door de actualiteit. De redactie van Charlie Hebdo, het Franse tijdschrift dat zich had gewaagd aan spotprenten van Mohammed, moest dat met de dood bekopen. Dit voorjaar ondernam de Turkse president juridische stappen tegen cabaretiers en cartoonisten. Wie zichzelf al te serieus gaat nemen, vreest onze lach misschien wel meer dan ons ernstige proza.

Toch wil ik het wagen om juist in het licht van die actualiteit wat kanttekeningen bij het verschijnsel humor te plaatsen. In de nasleep van de gebeurtenissen hierboven leek het wel of het maken van kwetsende karikaturen van Mohammed en Erdogan een doel op zich werden. En dan kan de lach van een genadegave omslaan naar iets heel ongenadigs.

Wanneer je met een grap geen verbinding of verbetering meer beoogt, slaat de humor al snel om naar wrangheid: een vijandige vorm van verbeten geldingsdrang. Soms lijkt het of de Nederlanders die zich het felst inzetten voor de vrijheid van meningsuiting, niet voor een gezelligere of rechtvaardigere wereld vechten, maar voor hun individuele recht om alles op de wereld vrijelijk uit te mogen lachen.

 

Een vijandige vorm van verbeten geldingsdrang

 

Als ik mijn leeftijdsgenoten observeer, komt het me steeds sterker voor dat de lach ons iets te heilig is geworden. En zo mooi als humor kan zijn, zo kwaadaardig kan het worden als we eindigen met de lach als onze ene fundamentele levenshouding.

 

Vrijblijvendheid

Van alle opvolgers van de dominee in de seculiere cultuur zijn niet de filosofen en de wetenschappers, maar de grappenmakers het meest succesvol. We kunnen denken aan populistische politici, die graag werken met gevatte oneliners. Maar predikanten kunnen vandaag de dag vooral jaloers zijn op cabaretiers, die nog stampvolle zalen trekken met hun monologen en ook de gastenlijst van De Wereld Draait Door domineren.

Opvallend genoeg nemen zij de inhoudelijke taak van de dominee vaak ook over. In veel conferences zitten sterk idealistische en levensbeschouwelijke motieven. Waar we massaal minder naar de dominee zijn gaan luisteren, pikken we de preken van cabaretiers nog wel. Waarom? Ik vrees dat het is omdat cabaretiers het serieuze deel van hun boodschap zo omgeven met ironie en absurdisme, dat de luisteraar er altijd vrijblijvend mee kan omgaan.

Dat kan humor ook zijn: een vlucht uit de realiteit die ons ontslaat van verantwoordelijkheid of het innemen van een positie. We kunnen ons afvragen of de enorme successen van sitcoms, cabaretiers en satire als De Speld en LuckyTV niet het signaal zijn dat ironie langzaam maar zeker onze basishouding is geworden.

De lach kan behalve een heilige gift ook een leeg, gratuit gebaar zijn waarmee we weigeren de werkelijkheid serieus te nemen. Een generatie die gewend is om bij alles wat passeert direct een scheut zout te gooien, loopt net zoveel gevaar als een omgeving waar de lach taboe is.

 

Zijn er nog idealen die we zonder knipoog durven koesteren?

 

In een samenleving vol starre heilige huisjes werkt de lach prachtig ontmaskerend. In een samenleving waar niets dat heilig is nog veilig is, kan humor al te cynisch worden. Zijn er nog idealen die we zonder knipoog durven koesteren? Kunnen we de liefde nog bejubelen buiten de setting van een sarcastisch voorbehoud of een karikaturale komediefilm? Kunnen we, nu we ons de kunst van het parodiëren zo goed eigen hebben gemaakt, onze medemens ook nog ongecompliceerd complimenteren?

Wie onze cultuur tegen het licht wil houden, ontkomt niet aan die vragen. Ontkomt er niet aan, ook het fenomeen humor kritisch te bekijken.

 

God en humor

Toevallig draaide de eerste keer dat ik kennismaakte met de discussie over de schaduwkanten van humor direct op theologie uit. Ik had het fenomenale boek De naam van de roos van Umberto Eco net uitgelezen. Veel mensen die het boek ook in de kast hebben staan, zullen zich herinneren dat het draait om een serie moorden in een Middeleeuws klooster.

Maar weinigen zullen nog weten, dat het thema ‘God en humor’ een rode draad is door het verhaal. De grote twistappel is een oud boek dat in het klooster verborgen ligt. Het is een exemplaar van Aristoteles’ verloren gewaande tweede deel van de Poetica… over komedie.

Enkele monniken in het klooster is er veel aan gelegen dat niemand het boek te zien krijgt, want, zo zeggen zij: God en humor zijn niet verenigbaar. Wie om de werkelijkheid lacht, beledigt de almachtige God die alles heeft beschikt.

Nadat ik De naam van de roos als tiener had gelezen, werd ik nieuwsgierig naar dat theologische debat en ik besloot er een concordantie op na te slaan. Heeft Jezus ooit gelachen? Niet in de bijbel. En God zelf? Jawel, één keer, in Psalm 2: ‘Die in de hemel troont lacht’. Maar het is geen vrolijke of zelfs maar sarcastische lach. Gods lach is hier een bittere lach om de goddelozen die ijdele pogingen doen om Gods juk af te werpen.

 

Sara lacht

In de bijbel is er één persoon naar de lach vernoemd: Isaak. Zoon van de onvruchtbare Sara. Op hoge leeftijd krijgt ze te horen dat God haar een kind zal schenken. Ze lacht. Natuurlijk lacht ze. Ze bedient zich van spot om haar verdriet vrolijk een plaats te geven. Ze bedient zich van satire, als ze zich plastisch voorstelt dat de verwelkte lichamen van haar en haar man nog eens samensmelten voor een onmogelijke bevruchting.

God lijkt het haar niet echt kwalijk te nemen, hoewel hij haar herhaaldelijk op haar lach wijst. Een scheutje ironie van de Allerhoogste, want een jaar later is Sara weer aan het lachen, maar nu niet meer bitter maar vreugdevol om de gein van haar bejaarde bevalling. Isaak is geboren.

Als theoloog zou ik die twee lachen graag intact houden in de maatschappij. Eerst: de humor als heilig medicijn tegen de pijn van vandaag, als verbinder en trooster middenin ons leed.

Daarnaast die tweede lach van Sara. De lach van ‘dus tóch, dus tóch’, de lach van een gekke droom die werkelijkheid kan worden, de gein die hoopt op genade.

Verliezen we die tweede uit het oog, dan verzanden we in kwetsen om het kwetsen of in een ironisch levensgevoel dat fundamenteel cynisch is. Een risico dat we alleen kunnen bestrijden door vast te houden aan geloof, hoop en liefde. Stug en zonder spoor van spot durven blijven zeggen, dat er een laatste lach moet zijn. Een lach van vreugde en vrede voor alle mensen.

 

Alain Verheij (1989) is theoloog. Hij schrijft, preekt en spreekt op diverse podia en blogt zeer actief, o.a. op AlainVerheij.nl. Daarnaast doet hij promotieonderzoek naar de Ugaritische grammatica aan de Universiteit van Leiden.