Woord & Dienst mei 2013 / Zingen

Samen zingen bindt mensen en stuwt op tot dimensies die langs andere weg amper bereikbaar zijn. Dit idee ademt op verschillende manieren door deze editie van Woord & Dienst. Zingen is communiceren, het kanaliseert emoties, brengt onder woorden wat niet gezegd kan worden, en het nieuwe Liedboek is een uiting van ‘katholiciteit’ en daarmee van belang voor de eenheid van de kerk. Het zal niet verbazen de verschijning van het nieuwe Liedboek de aanleiding was voor de keuze van dit thema op dit moment. In een aantal artikelen komt het dan ook aan de orde.

Tegelijk is kort geleden weer heel duidelijk geworden dat het ook faliekant mis kan gaan wanneer het over liederen gaat. En dan denk ik niet aan de premature discussies over de verschillende genres die al dan niet in het nieuwe Liedboek zouden moeten komen – W&D heeft zich er ook aan bezondigd. Nee, ik doel op het K(r)oningslied. Niemand zal de opwinding hierover ontgaan zijn. Toegegeven, ook ik vermoedde dat de eindredactie niet goed opgelet had toen ik tekst tegenkwam in mijn krant. De taalfouten deden pijn aan m’n ogen en de inhoudelijk lijn ontging me. Aan de geintjes erover – over ‘het lied die je wist dat zou floppen’ – deed ik vrolijk mee. Maar ik wilde me er niet voor afsluiten op 30 april. En ongewild – voor de buis nota bene – overkwam me een vreemde sensatie: de enorme warmte die uit het geheel sprak, overvleugelde de ergernis. En nog dagen speelde de melodie me door het hoofd.

Hiermee is niet gezegd dat een tekst niet juist hoeft te zijn. Zeker bij kerkliederen voor mij geen kromme zinnen, platte of twijfelachtige theologie. Maar het lied biedt en doet zoveel meer. En als er dan toch iets aan mankeert, ben ik bereid me over te geven aan ‘onderdompelende participatie’ zoals Jan van der Wolf schrijft. ‘Meebewegen op de vleugels van ook dat lied’, noemde Roel Bosch het in een eerder nummer van W&D.

Andere nummers